De gierzwaluw

P1020821

Als je in de zomer wel eens omhoog hebt gekeken, herken je het silhouet op de foto hierboven vast wel. Het is de gierzwaluw, één van de meest karakteristieke zomervogels die we hebben. Je ziet hem vooral op plekken waar mensen wonen, want hij maakt zijn nest vaak onder dakpannen. Als je op een zomeravond naar de lucht kijkt, zie je ze soms met tientallen tegelijk voorbij vliegen, waarbij ze vaak een gierend geluid maken.

De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven in de lucht door. Dat is maar goed ook, want hij heeft niet al te goed ontwikkelde poten en kan dus niet of nauwelijks lopen. Hij kan zich met zijn poten hoogstens ergens aan vastklampen.

Voor mensen is de gierzwaluw hierdoor een raadselachtig beest, want het is voor ons moeilijk voor te stellen dat je alles in de lucht doet. Mensen hebben er immers honderdduizenden jaren over gedaan om langer dan één minuut in de lucht te kunnen blijven hangen zonder dood neer te vallen. Daarom is heel lang gedacht dat gierzwaluwen vast heus wel eens ergens gingen zitten, maar dat wij dat gewoon nooit zagen.

Inmiddels gaan steeds meer wetenschappers er vanuit dat gierzwaluwen toch echt vrijwel altijd in de lucht hangen, behalve tijdens het broeden en voordat ze kunnen vliegen natuurlijk. Ze zijn de hele dag bezig met het vangen van vliegjes, die ze meteen in de lucht opeten, ze paren in de lucht en slapen zelfs in de lucht.

Dat slapen gaat ongeveer zo: aan het eind van de dag stijgen gierzwaluwen op tot zo’n 3 tot 5 km hoog. Vervolgens komen ze al rustend heel langzaam vliegend naar beneden, in een soort halfslaap waarbij ze een deel van hun hersens uitschakelen. Hoe dit precies werkt is nog steeds niet helemaal duidelijk.

Nu het de laatste jaren bijna elke zomer wel een keer stormt, kun je extra goed zien hoe goed gierzwaluwen kunnen vliegen. De meeste vogels zorgen dat ze ergens beschut zitten en zelfs de andere zwaluwen blijven laag bij de grond, maar  je kunt de gierzwaluwen nog steeds zien rondvliegen alsof er niks aan de hand is.

Helaas is deze vogel maar zeer kort in het land. Hij arriveert eind april en vertrekt eind juli alweer. Vandaar dit stukje: nu hij er nog is, kun je maar beter even goed naar hem kijken. Dat doe ik in ieder geval wel.