Ganzen in de Eempolder

kleinerietgans

In november stromen de polders weer vol met ganzen. Dat zijn vooral  grauwe ganzen, kol- en brandganzen, maar er kunnen ook andere soorten tussen zitten, die ik graag wil zien. Vorige week was ik daarom in de Eempolder.

In deze uitgestrekte polders zie je in het voorjaar veel grutto’s, en daarom ook veel vogelaars. Nu er geen grutto’s zijn, zijn er ook niet veel mensen, want ganzen kunnen op minder enthousiasme van vogelaars rekenen. Ik kwam dus niemand tegen met wie ik een praatje kon maken.

Dat was jammer, vooral omdat ik de eerste uren weinig bijzonders zag. Ik zag goudplevieren, kieviten en ganzen, maar niks spectaculairs. Het was bijna een beetje saai, want veel afwisseling in het landschap is er ook niet.

Maar ineens gebeurde er van alles. Onder begeleiding van veel gekrijs zag ik een raaf een rivierkreeft van een meeuw afpakken. Raven zijn imposante vogels, maar meestal nogal schuw. Deze was zo druk met zijn buit, dat ik hem goed kon bekijken. En toen ik even naar een grote groep grauwe, kol- en brandganzen iets verderop keek, zag ik daar twee andere ganzen tussen zitten.

Het bleken kleine rietganzen te zijn, die niet heel zeldzaam zijn, maar ik zie ze nooit. Dit was waarvoor ik naar de Eempolder was gekomen! Ik maakte wat foto’s en probeerde dichterbij te komen, zodat ik betere foto’s kon maken. Uitgerekend op dat moment stond er ineens iemand naast me. Zal je altijd zien.

‘Zie je iets bijzonders?’, vroeg de man. ‘Ik zie twee bijzondere ganzen in die groep ganzen, maar ik denk dat iemand die niet fanatiek vogels kijkt er niet heel enthousiast van wordt,’ antwoordde ik. ‘Aha, brandganzen zeker? Die zijn bijzonder.’ ‘Nee, die zitten er juist veel, dat zijn die zwart-witte,’ reageerde ik.

‘Ja, brandganzen zijn heel bijzonder’, ging de man onverstoorbaar verder. ‘Er zijn nu ook veel kieviten, en dit zijn andere dan in de zomer. Want de kieviten die hier broeden zijn naar het zuiden vertrokken, en de kieviten die je hier nu ziet, komen uit het noorden.’ Dat klopt maar deels. Er komen in het najaar kieviten uit het noorden bij, maar niet al ‘onze’ kieviten vertrekken naar het zuiden.

Ik zei voorzichtig: ‘Nou ja, er is wel overlap. Er zit daar trouwens een raaf, misschien vindt u dat ook leuk.’ ‘Het zijn allemaal andere kieviten. Ik zag net een sperwer.’ ‘Was het geen torenvalk? Daar zit een raaf.’ De man zei: ‘De sperwer zat op een paaltje, terwijl ik het veel mooier vind om ze te zien vliegen.’ Ik wilde herhalen dat ik dacht dat het een torenvalk was en geen sperwer, maar ik bedacht me dat het weinig zin had.

Deze kerel zat om een praatje verlegen. Nu hij iemand zag die vogels keek, wilde hij me daarover vertellen wat hij er van wist. Op mijn betweterigheid zat hij niet te wachten.

Maar hoewel ik daar meestal wel voor in was, zag ik nu voor het eerst van mijn leven kleine rietganzen. Dus hoewel mijn gesprekspartner vriendelijk was, wilde ik even geen gesprek. Toen hij verder praatte, zei ik: ‘Ik ga proberen om die twee ganzen van dichterbij te bekijken.’ Hij begreep de boodschap. Hij wenste me veel succes en liep vrolijk door. Maar die ganzen waren inmiddels weg, vandaar de beroerde foto boven dit stukje. Hoewel: die scheve horizon kan ik die man moeilijk aanrekenen.