Herinneringen aan Scheveningen

Scheveningen, Kurhaus

Harm was op een zonnige zaterdagmiddag op zoek naar de reservesleutel van zijn racefiets toen hij uit een la triomfantelijk een oude kaart tevoorschijn haalde. Enthousiast riep hij tegen zijn vrouw: ‘Kijk Anita, wat ik nou vind! Een ansichtkaart die we voor ons zelf gekocht hebben, uit Scheveningen. Dat moet in ’78 geweest zijn. Wat was dat toch een heerlijke tijd! De romantiek spatte er nog vanaf. Wat heb ik goede herinneringen aan deze vakantie. We waren nog zo verliefd!’ 

Anita keek hem meewarig aan en zuchtte: ‘Oh, dat goedkope weekendje weg omdat jij niet genoeg geld had om met me naar Parijs te gaan, omdat je al je geld vergokt had in die louche snackbar. Ja, dat herinner ik me nog goed. Toen vond jij het met je dronken kop nog nodig om die aardige jongen op zijn bek te slaan omdat je ervan overtuigd was dat hij een oogje op me had.’

Harm antwoordde: ‘Wat ben je weer negatief! Ik had toen bijna de jackpot gewonnen. En die eikel in dat restaurant kon zijn ogen niet van je borsten afhouden. Die kreeg zijn verdiende loon. Niets meer en niets minder.’ Anita vervolgde: ‘Was dat toen ook niet met die vreselijke hotelkamer die zo stoffig was? Ik heb daar geen oog dicht gedaan. Daarom hadden we toch deze kaart gekocht, zodat het net leek of we in het Kurhaus hadden geslapen? Maar dat konden we toen natuurlijk helemaal niet betalen. Volgens mij vond jij toen ook al dat ik me niet aan moest stellen, trouwens. Jij hebt mijn gevoelens nooit zo serieus genomen, nu ik er eens over nadenk.’

Harm voelde een woedeaanval opkomen en wilde nog wel reageren, maar hij had de reservesleutels van zijn racefiets al gevonden. Hij liep naar de schuur en ging er zonder iets te zeggen vandoor. Hij fietste die middag harder dan hij in jaren had gefietst.