Hoe het begon

Toen ik opgroeide in een niet nader te noemen dorp en leerde fietsen, besloot mijn vader dat het tijd was om mij de verkeersregels te leren. Hij pakte dit praktijkgericht aan en zorgde ervoor dat hij zelf ook nog enig plezier aan de lessen kon beleven. Dit betekende dat we elke zondagochtend het dorp uit fietsten en de omgeving introkken. Het belangrijkste advies dat hij tijdens de verkeerslessen gaf was vrij algemeen en is nog steeds relevant: ‘altijd blijven opletten’, zo luidde het.

Meestal gingen we naar de in de buurt gelegen dijk om langs de uiterwaarden te fietsen. In de tussentijd bracht mijn vader me enthousiast zijn kennis over dieren bij. Ik leerde buizerds en torenvalken uit elkaar te houden en onthield de verschillen tussen kieviten, grutto’s en tureluurs. Ik vond het schitterend en wilde alles weten over de dieren die we onderweg zagen. Ik kreeg een verrekijker en verdiepte me er steeds meer in.

Dit leidde er onder andere toe dat ik mijn spreekbeurt in groep 6 over de 5 in Nederland voorkomende soorten uilen hield. Bij mijn klasgenoten leidde dit tot grote verbijstering, zij begrepen werkelijk niets van mijn fascinatie voor vogels. Op de middelbare school werd het pas echt duidelijk dat het niet ‘cool’ was om je met vogels bezig te houden. Aangezien ik wel graag stoer wilde zijn, hield ik er toen maar mee op. Ik vond het nog steeds interessant en als ik een vogel zag vliegen, lette ik nog steeds goed op en probeerde ik nog steeds te bedenken wat voor vogel het was. Maar ik ging er niet meer op uit om ze te zoeken, laat staan op zondagochtend.

Dit veranderde toen ik een jaar of 17 was. In die tijd hingen mijn vrienden en ik ’s avonds vaak buiten rond. Liefst op rustige plekken buiten het dorp, want we waren enigszins mensenschuw. Bij één van onze favoriete plekken stond een uitkijktoren in de buurt, met uitzicht over een nieuw natuurgebied in de uiterwaarden. Er stonden bordjes bij met vogelsoorten die je vanaf de toren zou kunnen zien. Ik beschouwde mezelf nog altijd als vogelkenner, bekeek de bordjes en besloot dat ze getuigden van enorme domheid: er stonden allerlei vogelsoorten op die je nooit in deze uiterwaarden waar kon nemen.

Hoewel ik natuurlijk meer kennis van zaken meende te hebben dan degene die de bordjes daar had opgehangen, ging ik de volgende dag toch maar eens met een verrekijker terug naar de uitkijktoren. Tot mijn grote verbazing zag ik vrijwel alle vogelsoorten die op de bordjes stonden. Ook degene waarvan ik besloten had dat ze er nooit konden zitten. Op dat moment besefte ik hoe ontzettend weinig ik van vogels wist. Ik vond dit een schandalige constatering en begon me er opnieuw voor te interesseren.

Het is nu tien jaar later: nog steeds weet ik veel te weinig van vogels, maar ik doe mijn best. Ik probeer in ieder geval elk weekend een keer naar buiten te gaan om vogels te kijken. Want ik vind het vooral heel leuk om te doen: zo leuk dat ik er maar eens stukjes over ga schrijven.